Ik zet als altijd de boodschappen op de buitentrap terwijl ik de fiets in de schuur zet. Draai me om en zie een jochie, jaar of 8, wegrennen met iets onder zijn jas geklemd: mijn eieren. Als Kruimeltje die een appel gapt bij de groentekraam. Meer vertederd dan boos laat ik het eiergappertje gaan. En ik moet denken aan de hartverscheurende film I, Daniel Blake, waarin een uitgehongerde bijstandsmoeder een blik tomatensoep opentrekt en leeg eet bij de Voedselbank, voor de ogen van haar kinderen.
Want film is het leven zelf, een slice of life. Film is eerst en vooral een empathiemachine, zoals een beroemd filmcriticus ooit zei. Het helpt om afstand te nemen van je vastgeroeste zelf en je te verplaatsen in de ander, in andermans cultuur, dromen, angsten. Broodnodig in deze gepolariseerde tijden.
Film helpt de wereld beter te verstaan. Maar ook diezelfde wereld te ontvluchten in bange tijden. Escapisme van het fijnste soort, Fred & Ginger zijn er groot mee geworden tijdens de depressie in Amerika.
Ook ik ken het. In een ellendig jaar rende ik na ieder moeilijk telefoontje de bios in. Alles gezien toen, ook de slechte films, La la land zeker vijf keer. Even twee uur op een andere planeet – o zalige vergetelheid.
Film verrijkt. En we mogen ons gelukkig prijzen met zo’n goed filmhuis, waar voor ieder wat wils draait, zes keer per week.
Dus kom en zing, vecht, huil, bid, lach en verwonder mee. Met de ander en om onszelf.
Uit: Hengelo Magazine, zomer 2025