Boekelo is gewijde grond, in Boekelo kreeg ik mijn eerste kus.
Van alle eerste keren die te gebeuren staan als je vijftien bent, werd dit de onvergetelijke. Op een van de vele fuifjes, schuifelend op A whiter shade of pale, smoor op hem vanaf de eerste schooldag.
Een ogenblik en eeuwigheid later zweefde ik naar de keuken voor een bessen-jus, de zevende hemel nabij, wachtend op de volgende schuifelplaat.
We hebben verkering!, noteerde ik in mijn holliehobbie-dagboekje. Geen idee hoe dat moest, alles bleef bij het oude: ik haastte me nog steeds door de gangen, zijn rooster feilloos in het hoofd, om hem tegen te komen op de trap voor een achteloos ‘hoi’. En telde de nachten tot een volgende fuif waar het verder ging met de verkering.
Dit broze geluk duurde precies 3 maand. Toen maakte hij het uit op mijn meisjeskamer. Ik zei dat ik het begreep, hij was blij dat ik niet met dingen ging gooien. The first cut is the deepest, zong Cat Stevens, ik was stuk. Daar hielp geen soep of troostende hand van mijn moeder aan. Ach kind, na dizze weer een frisse.
Maar ik wilde dizze.
Hij was gangmaker, toneelspeler, muzikant – bespeelde alles zonder een noot te kunnen lezen, leerde mij, taalfetisjist die ik toen al was, het woord ‘wuft’ en bleef mijn grote schoolliefde tot lang daarna.
Heimelijk, tussen liefdes door. We zochten mekaar op. Ik op zijn studentenkamer, waar hij een eenakter uit Don Quichot voor me speelde. Hij op mijn dertigste verjaardag waar hij het lang beloofde cassettebandje kwam brengen. Maar het kwam nooit uit, de liefde. Steeds net een ander.
Zijn vader was jong gestorven. 37 jaar, hartaanval. Daar hadden we het niet over op het schoolplein, de dood bestond nog niet. Hij was de enige die het woord wel eens in de mond nam. Bang dat hij zijn vader niet zou overleven.
Hij is 36 geworden.
Neergevallen in de kleedkamer op zijn afscheidsfeest, waar hij zich verkleedde als ABBA, klaar voor een wereldreis met zijn nieuwe liefde. Een hersenbloeding.
Op zijn begrafenis zei iemand: ik dacht dat jullie altijd wel weer…
Ik ook, zei ik, ik ook.
…
Maar we hebben altijd Boekelo.